Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis

CHRISTIAN ERNST GRAAF

Der Tod Jesu (1802) for 4 solo voices, mixed choir and orchestra (2002 / 2000 / archi / org), text: Karl Wilhelm Ramler

TDCM 8

Tegen vastgeroeste denkbeelden is het moeilijk opboksen. Decennialang gold het adagium dat Nederland tussen Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621) en Alphons Diepenbrock (1862-1921) geen componisten van belang zou hebben voortgebracht. In muziekgeschiedenisboeken uit de eerste helft van de twintigste eeuw was het gebruikelijk om de muzikale productie uit de periode 1620-1880 onbeduidend en passé te noemen. Meningen van anderen werden overgeschreven zonder dat men de moeite nam een partituur in te zien. Musicoloog Eduard Reeser deed dat wel, en wees in zijn boek Een eeuw Nederlandse muziek 1815 - 1915 (1950) op het belang van menig vergeten werk. Toch valt er nog veel te ontdekken, zoals de componist die hieronder aan bod komt.

Christian Ernst Graaf

Graaf was Duitser van geboorte. Hij kwam ter wereld op 30 juni 1723 in Rudolstadt en groeide op in een muzikaal gezin. Zijn vader, Johann Graf (1684-1750), was violist, muziekleraar, componist en dirigent. In 1722 werd Johann concertmeester aan het prinselijke hof van Schwarzburg-Rudolstadt; in 1739 volgde zijn bevordering tot kapelmeester. Graf had zeven zoons die hij zelf muziekles gaf. Vier van hen traden in zijn voetsporen en werden eveneens musicus.

Over de jaren van Christian Ernst in Rudolstadt vóór zijn vertrek naar onze contreien zijn nauwelijks gegevens beschikbaar. Hij verliet zijn geboortestad - naar het schijnt - met instrumenten van het hof èn met schulden. Mogelijk is hij samen met zijn broer Friedrich Hartmann, die vier jaar jonger was, in dienst getreden bij een regiment dat half april 1748 in de Noordelijke Nederlanden arriveerde. Van Friedrich Hartmann is bekend dat hij bij het beleg van Bergen op Zoom gewond raakte en krijgsgevangen werd genomen.


Anna van Hannover Christian Ernst bevindt zich in 1750 te Middelburg, waar hij het Collegium Musicum gaat leiden. Onder Graafs leiding steeg het niveau van het Middelburgse Collegium Musicum zodanig dat het in 1754 de beschikking kreeg over een concertzaal die bekostigd werd door de stad. Vermoedelijk ontstond het eerste gedrukte opus van Christian Ernst, de Sei Sinfonie a Violino Primo, Secondo, Viola, E Basso, aan het eind van zijn verblijf in Middelburg als afscheidsgroet aan het ensemble.

Het moet in de tweede helft van 1754 zijn geweest dat Graaf naar Den Haag is vertrokken, waar hij hofcomponist werd in dienst van prinses Anna van Hannover, weduwe van stadhouder Willem IV. Vijf jaar later komt Christian Ernst in de 's Gravenhaegse Courant voor als 'Muziek Compositeur aen het Hof van S.D.H. den Heere Prince van Oranje', dat wil zeggen van de elfjarige Willem V. In hetzelfde jaar 1759 verschijnt zijn naam op de rekeningen van de hofkapel.
 

Rond 1764 heeft Christian Ernst zijn achternaam 'Graf' vernederlandst in 'Graaf'. Ook Leopold Mozart merkt, tijdens het verblijf van de familie Mozart in Den Haag (september-december 1765) Mr: Graaff aan als Compositeur et directeur de la Musique du Prince. Het is echter onduidelijk wanneer precies Christian Ernst benoemd is in die functie; van een officiële aanstelling is geen document overgeleverd.

Ter gelegenheid van de installatie als stadhouder van Willem V, die op 8 maart 1766 achttien jaar werd, componeerde Graaf het lied Laat ons juichen, Batavieren! Hierop baseerde de jonge Wolfgang Amadeus Mozart zijn bekende variaties KV 24. Graafs taak als hofkapelmeester behelsde niet alleen de samenstelling van het repertoire van het hoforkest, maar ook het componeren van nieuwe stukken en het selecteren van de libretti en teksten die voor diverse gelegenheden moesten worden getoonzet. In zijn jaren aan het hof ontstonden talrijke, voornamelijk instrumentale composities.
 

Willem V

Aan een opera heeft hij zich nooit gewaagd.

In november 1790 ging Graaf met pensioen. Hij overleed op 17 juli 1804 te Den Haag en werd begraven in de Grote Kerk. Overgeleverd is de volgende karakterschets:
Graaf of Graf was een beoeffenaar van kunsten en weetenschappen, een geletterd man, was gezellig in zyn omgang, en in de kring zyner vrienden zelfs spraakzaam en vrolyk, bezat eene byzondere geschiktheid om te onderwyzen, vooral aan Jongelieden, die hy hun smaak voor de kunsten en weetenschappen wist in te boezemen.

Ofschoon geen pionier, maakte Graaf wel een evidente ontwikkeling door in zijn tientallen symfonieën, concerten, kwintetten, kwartetten, trio's, duo's en werken voor één instrument. Terwijl zijn opus 1 nog overeenkomsten vertoont met late composities uit de barok, zit hij stilistisch vervolgens dichter bij de Mannheimers en de jongere zonen van Johann Sebastian Bach. Der Tod Jesu (1802), Graafs laatste en meest gerijpte werk dat hij op 79-jarige leeftijd schreef, past qua stijl meer bij de oratoria van Joseph Haydn. Wat instrumentatie en vorm betreft, heeft Graaf zich aan de conventies van zijn tijd gehouden. In harmonisch opzicht zijn de meeste composities ongecompliceerd van opzet. Maar melodisch en ritmisch is hij soms tot verrassende vondsten gekomen.


De tekst
Karl Wilhelm Ramler (1725-1798) gold in zijn tijd als een groot dichter en speelde een aanzienlijke rol in het culturele leven van Berlijn, de hoofdstad van het koninkrijk Pruisen. Veel Duitse componisten hebben teksten van hem op muziek gezet, vooral in de achttiende eeuw, maar ook nog in de negentiende. Onder hen zijn beroemdheden als Carl Philipp Emanuel Bach, Joseph Haydn en Georg Philipp Telemann.

Ramler schreef Der Tod Jesu op initiatief van prinses Anna Amalia van Pruisen, de jongste zuster van koning Friedrich II 'de Grote' van Pruisen.
Karl Wilhelm Ramler Broer en zus componeerden allebei en Anna Amalia wilde een passiecantate maken. Ramlers tekst is voltooid op 13 juli 1754. Spoedig waren er in Berlijn en ver daarbuiten afschriften in omloop. Ook Telemann, die in Hamburg aan de St.-Petri Kirche werkte, kreeg de tekst in handen. Zo vonden er kort na elkaar in verschillende steden premières plaats: van Telemanns toonzetting op 19 maart 1755 en een week later, op 26 maart, de eerste uitvoering van Der Tod Jesu van Carl Heinrich Graun te Berlijn, waar Graun kapelmeester was aan het koninklijk Pruisische hof. Bij deze gelegenheid werd Ramlers libretto voor het eerst gedrukt.
 


Der Tod Jesu
Bij het componeren van Der Tod Jesu heeft Graaf Ramlers tekst als uitgangspunt genomen, en wel een herziene versie uit 1772. De tekstuitgave is door Graaf nauwkeurig gevolgd; slechts incidenteel komen verschillen voor en die zijn dan nog miniem. Ook de muzikale aanwijzingen die Ramler bij enkele delen geeft, zijn door Graaf opgevolgd. In het openingskoraal schrijft de dichter voor dat het gezet moet worden op de melodie O Haupt, voll Blut und Wunden! In het libretto staat bij sommige delen een verdeling van de tekst aangegeven over twee of drie stemmen; die volgt Graaf eveneens.

Rond 1800 en nog ver in de negentiende eeuw was het gebruikelijk in ons land dat niet-liturgische composities op buitenlandse tekst vertaald werden in het Nederlands. Zo kwam het nieuwste oratorium van Joseph Haydn tot klinken op woorden van de destijds befaamde Johannes Kinker, onder de titel De Schepping. Blijkbaar paste Graaf zich aan deze gewoonte aan: er is een orgelpartij van zijn hand overgeleverd, waarin de recitatieven voorzien zijn van een Nederlandse vertaling en Ramlers tekst in het geheel niet voorkomt. Toch is het niet van een uitvoering gekomen.

Om de kansen voor zijn compositie te vergroten bracht Graaf beide autografen onder op plaatsen waar hij gunstige omstandigheden veronderstelde. De ene partituur stuurde hij aan de regerend vorst in zijn geboortestad, Ludwig Friedrich II von Schwarzburg-Rudolstadt, met een onderdanige aanbiedingsbrief in het Frans. De andere partituur liet hij bij koning Friedrich Wilhelm III van Pruisen bezorgen. In de begeleidende brief refereerde hij aan zijn naderend einde. Maar het mocht niet baten: geen van beide pogingen sorteerden resultaat.

De manuscripten rustten bijna tweehonderd jaar in de archieven, tot musicoloog Dick van Heuvel ze herontdekte en de muzikale kwaliteit van Der Tod Jesu onderkende. Op zaterdag 20 juni 1992 voerde hij, tijdens de grensoverschrijdende nabuurschapsmanifestatie van de provincie Gelderland in Musis Sacrum te Arnhem, zes delen uit met een ad hoc koor en orkest.

Bijna tien jaar later, op vrijdag 1 maart 2002, werd het werk compleet uitgevoerd in de Kloosterkerk te Den Haag door het Residentie Kamerkoor en het Residentie Bachorkest onder leiding van Jos Vermunt. Van die uitvoering is geen opname gemaakt. Der Tod Jesu beleeft dus op 18 februari zijn première voor de microfoon.

De luisteraars zouden we ten slotte nog willen wijzen op de diversiteit in klank die Graaf met een relatief kleine bezetting van twee fluiten, twee fagotten, twee hoorns, strijkers en orgel heeft weten te bereiken. Hij was een geïnspireerd man.

Ton Braas & Odilia Vermeulen

general editors van de serie Schatten van de Nederlandse koormuziek
(Treasures of Dutch Choral Music),
een uitgave van de Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis (KVNM) en Donemus

met dank aan Dick van Heuvel, editor van de gedrukte uitgave, voor het beschikbaar stellen van de gegevens

  • Serie Schatten van de Nederlandse koormuziek
  • Auteur Christian Ernst Graaf
  • Prijs € 100,- (incl. 6% BTW) plus verzendkosten
  • Artikelnummer 650
  • ISBN 978 90 6375 208 8

Vergelijkbare publicaties