Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis

Willem Pijper: In het licht van de eeuwigheid

Willem Pijper (1894-1947) was een spil in het muziekleven van zijn tijd. Hij was er de man niet naar om de buitenwereld zijn persoonlijke kant te laten zien en stelde zich in zijn essays en muziekkritieken rationeel en analytisch op. Des te persoonlijker uitte Pijper zich echter in zijn talloze brieven, vooral in die aan zijn vriendinnen. Daarom is de in november verschenen publicatie Willem Pijper: in het licht van de eeuwigheid. Een leven in brieven 1917-1947 (De Arbeiderspers: privé-domein, 2019) een aanwinst. Het boek, met een kleine driehonderd brieven, is samengesteld door de musicoloog en Pijperkenner Arthur van Dijk, die in 2011 ook verantwoordelijk was voor de KVNM-editie Het Papieren Gevaar, Verzamelde geschriften van Willem Pijper.

 

 

Centraal in de nieuwe bundel staan de brieven aan Iet Stants, Emmy van Lokhorst en Louise Bolleman. Daarnaast krijgt de lezer inzicht in Pijpers intensieve contacten met leerlingen en collega’s uit binnen- en buitenland, zoals de dirigenten Willem Mengelberg, Evert Cornelis en Pierre Monteux, en componisten als Maurice Ravel, Matthijs Vermeulen en Hendrik Andriessen. Voor een componist die de telegramstijl in de muziek propageerde, zijn de meeste brieven opvallend uitvoerig. Het briefschrijven vond hij een serieuze zaak, want ‘aan een brief gaan rijper overwegingen vooraf dan aan een gesprek’. Wat niet wegneemt dat zijn toon vaak relativerend en ook geestig is, bijvoorbeeld wanneer hij zich badinerend uitlaat over de laatste fietsmode voor dames, of Louise in extenso adviseert over de aankoop van haar eerste auto.

Pijper was zich maar al te bewust van zijn complexe persoonlijkheid en zijn neurosen, die hij voor zichzelf en zijn intimi vanuit de toen nog vrij nieuwe psychoanalyse tracht te verklaren. Zo schrijft hij in november 1925 aan zijn nieuwe geliefde, de schrijfster Emmy van Lokhorst: ‘Schizofrene persoonlijkheden zoals ik zijn zogenaamde Doppelnaturen’ – door Pijper ook wel aangeduid met Halewijn-complex. Ervan overtuigd dat hij een moedercomplex had en autistisch was, benoemt hij in deze brief de innerlijke verscheurdheid ‘die op alle doen en voelen van die persoon een stempel zet.’

Als Pijper Emmy leert kennen is hij 31 en herstellende van een ernstige crisis. Zijn tweede symfonie was slecht ontvangen en na zijn ontslag als recensent bij het Utrechts Dagblad had hij geen reguliere inkomsten. Bovendien was hij verwikkeld in een complexe driehoeksverhouding met Annie Werker, de pianiste met wie hij sinds 1918 getrouwd was, en met Iet Stans, leerling en huisvriendin van het echtpaar. Daarover gaat het vooral in Pijpers alsmaar uitdijende brieven aan Iets Stans. Voor de jonge Stans is die situatie reden om met Pijper te breken en zelfs het componeren op te geven – tot Pijpers verdriet, want hij beschouwde haar als een van zijn meest getalenteerde compositieleerlingen. Tenslotte loopt ook zijn huwelijk met Annie Werker spaak. Uit Van Dijks inleiding bij het brievenboek blijkt dat Pijper in de zomer van 1925 zelfs een poging tot zelfmoord heeft gedaan. Maar opmerkelijk genoeg ontstaat juist in deze moeilijke tijd zijn fluitsonate, die Pijper aan Matthijs Vermeulen stuurt en in de begeleidende brief aanmerkt als zijn beste werk. 

Aan een reeks hartstochtelijke liefdesbrieven aan Emmy komt al na enkele maanden een eind wanneer het paar zich begin 1926 vestigt in Amsterdam, waar Pijper docent wordt aan het conservatorium. De spraakmakende première van zijn derde symfonie, onder leiding van niemand minder dan de Franse dirigent Pierre Monteux, moet een opsteker voor hem zijn geweest. Pijpers carrière raakt in een stroomversnelling. In het najaar verschijnt het eerste nummer van het door hem en Paul Sanders opgerichte maandblad, De Muziek, dat al snel een nieuwe standaard wordt op het gebied van serieuze muziekjournalistiek in Nederland. In 1930 begint Pijper aan een nieuwe uitdaging: hij wordt directeur van het nieuwe conservatorium in Rotterdam. Maar de organisatorische en pedagogische taken vragen zoveel van hem dat er voor componeren weinig tijd over schiet. Toch schrijft hij tussen november 1932 en juni 1933 de opera Halewijn, in opdracht van de Wagner Vereniging. Ondanks de dan al ernstige huwelijksproblemen werkt Pijper voor dit project samen met zijn vrouw Emmy. Zij herschrijft het libretto aangezien hij de door Martinus Nijhoff geschreven tekst onwerkbaar vindt. Na de première gaat Halewijn in juli 1935 in een nieuwe enscenering van Eduard Verkade bij de opening van museum Booijmans in Rotterdam. Daarbij zijn Corrie Hartong (choreografe en danseres), Saar Bessem (zangeres) en Erna Jurgens (librettist) betrokken. Dat de spanning rond die opvoering voor deze dames hoog opliep, was geheel aan Pijper te wijten, want hij had amoureuze contacten aangeknoopt met hen alle drie. Tegelijkertijd speelde de uitputtende echtscheidingsprocedure met Emmy, waarvan Pijper zijn ‘oude’ vriendin Louise Bolleman per brief op de hoogte hield.

Louise Bolleman was gepromoveerd juriste en al sinds 1923 pianoleerling van Pijper. De brieven suggereren een intieme (en vooralsnog geheime) relatie vanaf 1930, die – opmerkelijk genoeg –  stand hield tot aan Pijpers dood in 1947. Pijper koos er, anders dan Louise had gewild, bewust voor om na zijn tweede echtscheiding niet opnieuw te gaan samenwonen of trouwen. Misschien had hij zich gerealiseerd dat het te veel gevraagd was om met hem samen te leven, gezien zijn ‘zéér sterk polygame tendensen […]’ én zijn ‘imperatieve eis met rust gelaten te worden als ik in de geest met ’t een of ander bezig ben […]’. (aan Louise, maart 1935) Desondanks wordt deze vrouw in de laatste periode van zijn leven zijn belangrijkste steun en toeverlaat, vooral in de oorlogsjaren.

Het bombardement van 14 mei 1940 op Rotterdam treft Pijper dubbel. Persoonlijk, aangezien hij op die dag zijn huis en al zijn bezittingen in één klap kwijt raakt, met uitzondering van de manuscripten die hij tijdig in een bankkluis had ondergebracht. Minstens even hard is Pijper geraakt door de vrijwel complete verwoesting van het conservatorium. Toch neemt hij onmiddellijk actie. Hoezeer hij zich, bivakkerend in een dependance van de school, heeft ingespannen voor de wederopbouw, valt te lezen in de brieven uit deze periode.

Drie weken na het bombardement verzoekt Pijper Hendrik Andriessen hem aan muziekpapier te helpen zodat hij verder kan werken aan Merlijn, de nieuwe opera op tekst van Simon Vestdijk. Pijpers korte verslag van de gebeurtenissen is typerend: ‘wat mij persoonlijk betreft: alles ging verloren behalve de handschriften van mijn niet gedrukte werken, zodat er, sub specie aeternitatis, eigenlijk niets gebeurd is.’

In het licht van de eeuwigheid geeft inzicht in het karakter en de persoonlijkheid van de componist Pijper die, ondanks de hectiek van zijn persoonlijke leven en de druk van zijn agenda, in staat was een indrukwekkend muzikaal oeuvre te creëren. Een ‘helder afgerond beeld’ ontstaat door de brieven niet. Want het is juist ‘de ongrijpbare complexiteit van dat karakter en de enorme beweeglijkheid ervan die het wezen van zijn persoonlijkheid vormen’, aldus Van Dijk. Het boek is mooi verzorgd uitgegeven, de inleiding is verhelderend evenals de vele onmisbare noten. De katernen met diverse niet eerder gepubliceerde foto’s vormen een fraaie aanvulling.

Désirée Staverman

Willem Pijper: in het licht van de eeuwigheid. Een leven in brieven 1917-1947 (De Arbeiderspers: privé-domein, 2019