Koninklijke Vereniging voor Nederlandse Muziekgeschiedenis

Verslag van de eerste bijeenkomst van het Network of European Musicological Societies (NEMS)

Op 15 oktober jl. was Désirée Staverman namens de KVNM bij de eerste bijeenkomst van het NEMS, die plaatsvond tijdens het congres van de Société française de musicologie (Sfm) in Lyon. Vanwege de pandemie was dit congres een jaar uitgesteld, en daarmee ook de eerste meeting van het NEMS. Het was fijn dat het nu wel mogelijk was om elkaar te ontmoeten.

 

Onder voorzitterschap van Petra van Langen (coördinator en oud-secretaris van de KVNM) en Achille Davy-Rigaux (voorzitter van de Sfm) namen vertegenwoordigers van de musicologische verenigingen van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Duitsland, Italië en Nederland deel aan de round table. In haar introductie ging Petra van Langen terug naar november 2018, naar het congres dat de KVNM in Utrecht had georganiseerd om haar 150-jarig bestaan te vieren. Voor het eerst kwamen toen musicologische verenigingen uit heel Europa en de repertoria RISM, RILM, RIPIM, RIdIM samen en ontstond het idee om een netwerk van musicologische verenigingen in Europa op te richten. Na een enquête met vragen over de interesse van de verenigingen en wensen ten aanzien van de organisatorische vorm, werd in september 2019 het netwerk opgericht tijdens de conferentie van de Royal Musical Association in Manchester. Het netwerk is een losjes gestructureerde organisatie, open voor elke musicologische vereniging met belangstelling voor het versterken van onderlinge banden en het delen van ervaringen.

 

Onder de titel ‘Les processus de recherche dans plusieurs pays européens’ wilden de deelnemers aan de bijeenkomst in Lyon inzicht krijgen in de gang van zaken in verschillende landen. Daartoe vormden de volgende thema’s de leidraad:

 

1. Financiering en organisatie van onderzoek in de muziekwetenschap

2. Onderzoek in de curricula aan universiteiten en conservatoria;

3. De status van onderzoekers binnen de verschillende institutionele structuren;

4. De realiteit en mogelijkheden voor het organiseren van collectief onderzoek;

5. De voornaamste en opkomende gebieden van de musicologie.

 

Uit de presentaties van de vijf vertegenwoordigde landen kwamen grote verschillen naar voren op de meeste punten, waardoor het moeilijk is om vergelijkingen te trekken. Dan gaat het om verschillen tussen vaste en tijdelijke aanstellingen, financiering door de centrale overheid en projectsubsidies, aantallen promovendi, postdocs en hoogleraren. Terwijl financiering van onderzoek in Frankrijk is ondergebracht bij het ministerie van hoger onderwijs, onderzoek en innovatie, is er in Nederland geen formele organisatie op landelijk niveau. Bovendien kennen Franse universiteiten vaste docent-onderzoekeraanstellingen, terwijl musicologen hier afhankelijk zijn van projectsubsidies voor hun onderzoek. Terwijl er in Nederland slechts één hoogleraar is per instituut, werken er in Duitsland één tot zeven hoogleraren aan de muziekwetenschappelijke instituten; boven zijn er daar veel meer universiteiten met een musicologische leerstoel.

 

 

Herkenbaar voor alle deelnemers was de bezorgdheid over de inbedding en financiering van onderzoek. Duidelijk is dat gezamenlijke projecten, waar mogelijk op internationaal niveau, een grotere kans maken om gehonoreerd te worden. In het Verenigd Koninkrijk krijgen collectieve projecten steeds meer prioriteit mits de thematiek relevant is. Dan moeten we denken aan onderwerpen als de groeiende interesse in vrouwelijke musici en onderzoekers, de sterke impact van Black Lives Matter en diversiteitskwesties, en de aandacht voor populaire muziek, muziek voor film, televisie en videogames.

 

Ook onder Nederlandse studenten en jonge onderzoekers is er voor dergelijke onderwerpen een groeiende belangstelling. Aan de Universiteit Utrecht kiezen veel studenten voor Music & Media. Voor masterstudenten muziekwetenschap die zich willen toeleggen op onderzoek zijn er tientallen onderzoeksgroepen die vallen onder Media, Arts, Culture en History. Aan de Universiteit van Amsterdam zijn culturele muziekwetenschap en cognitieve & computationele muziekwetenschap opkomende gebieden naast wetenschapsgeschiedenis.

 

In de slotdiscussie stond de vraag centraal hoe het NEMS de samenwerking tussen de verenigingen kan versterken en daarmee de mogelijkheden voor onderzoekers kan faciliteren.

Onderwerpen van discussie waren verder de taalkwestie, vooral bij publicaties, en ook de verhouding tussen academisch en ‘artistic research’. Hoewel er aan diverse Europese conservatoria de laatste jaren programma’s zijn ontwikkeld voor ‘artistic research’ op bachelor- en masterniveau, is de toenadering tussen academische opleidingen en conservatoria op dit gebied niet vanzelfsprekend.

Als voorbeeld van geslaagde samenwerking tussen een groeiend aantal Nederlandse en Belgische instituten kon ik docARTES noemen. DocARTES biedt sinds 2004 een PhD-traject voor uitvoerend kunstenaars en componisten.

Het jaarlijkse Postgraduate Symposium (in 2019 door de RMA en de KVNM geïnitieerd) zou uitgebreid kunnen worden. De Sfm is alvast geïnteresseerd om aan te sluiten.

 

De volgende bijeenkomst van NEMS is gepland tijdens het congres Agents and Actors: Networks in Music History, 1-3 juni 2022 in Helsinki.

 


Door Désirée Staverman

Met dank aan Petra van Langen en Anne Piéjus