Royal Society for Music History of The Netherlands

Johanna Bordewijk-Roepman (1892-1971), an extraordinary composer

Johanna Bordewijk-Roepman (1892-1971), een buitengewoon componist

 

Op 8 oktober jl. was het vijftig jaar geleden dat de componist Johanna Bordewijk-Roepman overleed, een kroonjaar dat bijna geruisloos voorbij dreigt te glijden. Corona stuurde plannen in de war (een gepland koorproject moest uitgesteld worden naar najaar 2022), maar ook werd alle aandacht opgeëist door Josquin, Sweelinck en Diepenbrock. Het KVNM voorjaarssymposium stelde terecht de vraag: ‘Welke verhalen vertellen we?’ Mijn conclusie: het is onze taak om de canon kritisch te blijven bevragen. Canonvorming is geen geautomatiseerd proces waarbij aan de ene kant alle muziek ingevoerd wordt en aan de andere kant de canon van de beste muziek tevoorschijn komt. Bovendien ligt buiten de gesnoeide en aangeharkte canon een razend interessante muziekgeschiedenis te wachten op ontdekking. Kijk voor een mooie cd-aanbieding aan het eind van dit artikel.

 

 

Neem nou Johanna. Haar pad naar succes als componist is op z’n zachtst gezegd ongewoon. Eigengereid en volhardend leerde ze zichzelf componeren door te luisteren naar favorieten als Debussy, Hindemith, Schönberg en Mahler, door theorieboeken te bestuderen en musici te bevragen. Als niemand haar kamermuziek wilde programmeren, organiseerde ze zelf wel een concert. Na wat minder geslaagde pogingen boekte ze in 1940 mooie successen. De ruwe diamant van haar talent was inmiddels wat bijgeslepen door compositielessen van Eduard Flipse, destijds dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hij bracht op 7 november in Rotterdam haar pianoconcert in première, opgedragen aan zijn broer Marinus Flipse. De volgende dag werd Les illuminations hernomen in Den Haag door het Residentie Orkest o.l.v. Frits Schuurman. Volgens de pers hanteerde Bordewijk-Roepman het orkest ‘met opmerkelijke kunde’, ze ‘toont duidelijk een potentie, die voor een vrouw zeker bewonderenswaardig is.’ En over het pianoconcert werd geschreven: ‘Dit pianoconcert bewees weer eens te meer, welk een vooraanstaande plaats mevrouw Bordewijk-Roepman in ons muziekleven inneemt. Werk van zulk een kracht, van zo'n hoog muzikaal gehalte, wordt niet vaak door een man en nog veel zeldzamer door een vrouw gecomponeerd.’

 

Haar werken klonken regelmatig op de Nederlandse podia en zelfs in het buitenland. Zoals Henk Badings in 1936 al schreef in zijn overzicht De hedendaagsche Nederlandsche muziek: ze had haar plek verworven. Ondanks de oorlog voerden het Residentie Orkest en de Haarlemsche Orkest Vereniging haar muziek nog uit in 1941. Maar dan kiest Johanna om zich niet bij de Kultuurkamer in te schrijven en ze trekt haar werken terug. Het wordt stil rond de componist. Haar muziek klinkt voorlopig alleen tijdens illegale huiskamerconcerten. Maar meteen na de bevrijding, op 9 en 10 juni in het Amsterdamse Concertgebouw, maakt haar muziek weer deel uit van het Maneto-concert ‘Vrije klanken’ en op 31 juli 1945 wordt op het plein voor de Sint-Laurenstoren, op de puinhopen van Rotterdam, het lied Uit het diepst van mijn hart uitgevoerd door honderden zangers. Van componeren van nieuwe werken komt het echter nauwelijks. Door het vergisbombardement op het Haagse Bezuidenhout is de familie Bordewijk bijna alles kwijtgeraakt, inclusief huis en partituren. Johanna wordt bovendien lid van de Ereraad voor Muziek en haar principiële standpunten zetten verschillende musici, zoals Marinus Flipse, voorlopig buiten spel.

 

In 1946 krijgt Bordewijk-Roepman een prijs van de regering voor haar Sonate 1943 ‘als erkenning van de muzikale waarden van zekere werken gedurende de bezettingstijd’ en in 1948 is ze in de catalogus van Donemus na Diepenbrock en Hendrik Andriessen de meest gespeelde componist. Toch kan ze de vooroorlogse belofte niet inlossen, ze ervaart tegenwerking als gevolg van haar werk voor de Ereraad. In 1950 beleeft ze nog een creatieve periode, met nieuw werk voor beiaard en verschillende koorwerken, maar in toenemende mate spelen buien van verwarring haar parten. In 1960 krijgt ze een koninklijke onderscheiding en een compositieopdracht, maar inmiddels gaat de aandacht uit naar een nieuwe generatie. Haar muziek raakt uit beeld.

 

Er zijn meerdere buitenmuzikale redenen waarom Johanna Bordewijk-Roepman geen blijvende plek heeft kunnen veroveren in de canon van de Nederlandse muziekgeschiedenis. Bij de huldiging rond haar zeventigste verjaardag werd ze beschreven als een ‘merkwaardig natuurtalent’, een predicaat dat ze zelf koesterde. En bovendien een vrouw, een vreemde eend in de bijt. Op de drempel van de roem brak de oorlog uit, in een bombardement verloor ze een belangrijk deel van haar oeuvre. Haar werk voor de Ereraad had grote gevolgen, wellicht niet in het minst voor haar eigen gezondheid.

 

 

Gelukkig maken nu verschillende organisaties zich sterk voor de muziek van Johanna Bordewijk-Roepman. Het Bordewijk Genootschap produceerde in 2016 een zeer lovend ontvangen cd met haar kamermuziek en bereidt een moderne editie van haar koorwerken voor, met een concert in het najaar van 2022. Binnenkort wordt een artikel van de componist over haar werken voor mannenkoren gepubliceerd, met een inleiding van Margaret Krill. Wie interesse heeft in de cd en/of de publicatie (samen voor slechts € 15,- incl. portokosten) kan een mailtje sturen naar info@bordewijkgenootschap.nl.

 

Een overzicht van het oeuvre van Johanna Bordewijk-Roepman is te vinden op www.forbiddenmusicregained.org, een website van de Leo Smit Stichting. In een samenwerkingsproject tussen Donemus, het Nederlands Muziek Instituut en de Leo Smit Stichting zijn de manuscripten van Bordewijk-Roepman en vele andere vervolgde en vergeten componisten gescand en beschikbaar via de webshop van Donemus in de catalogus Forbidden Music Regained. Het orkestwerk Epiloog (1943) verschijnt in november in een moderne editie bij Donemus.

 

Door Carine Alders

 

Literatuur
Kamp, Elly. Ferdinand en Johanna; dubbelbiografie van schrijver F. Bordewijk en componiste J. Bordewijk-Roepman. Uitgeverij Bas Lubberhuizen, 2016.